Het geheim van de kist

Telefoon: “Ja, meneer Douwes, met N… uit Warder … ik zag het artikel in het Noord-Hollands Dagblad over de kerk van Beets, met daarbij een foto van u, hurkend bij de Bossche kist in de oude raadzaal in de kerk, althans ik meen, dat ik de juiste persoon aan de lijn heb?” “Ja, dat klopt inderdaad. Naar aanleiding van de door die krant georganiseerde verkiezing van de mooiste kerk van onze provincie wist de kerk van ons dorpje de finale te bereiken, samen met kerken uit de zes andere regio’s.” N… luistert beleefd en laat me rustig uitpraten, maar ik merk dat hem die verkiezingen eigenlijk niet interesseren. “Weet u, ik heb zelf ook een Bossche kist, weliswaar niet zo’n fraai beschilderde als die van u…” Ik onderbreek hem: “… nou ja, niet van mij, maar van de Stichting Oude Hollandse Kerken.“ “Maar heeft u die kist wel eens geopend? Op de krantenfoto staat u afgebeeld met een sleutel van de hakkenbar of zoiets; dat kan niet serieus bedoeld zijn, naar ik meen.” “Nee, dat was alleen maar voor de foto…”  “Dat wil ik wel geloven, want het openen van zo’n diaconiekist is geen sinecure; het is eigenlijk een geheim. Dat slot waar u de sleutel bij houdt is geen slot, het is fake; het is bedoeld om dieven op een dwaalspoor te brengen.”  “Ja, ik ben me ervan bewust dat dat ding potdicht zit, en dat mij geen sleutel bekend is.” “Zal ik u laten zien hoe de mijne open moet? Als u dan ooit die sleutel terugvindt, dan weet u ook hoe het moet. Het is een geheime slimmigheid. Bent u geïnteresseerd?”

 

En zo rijd ik de volgende ochtend door de polder naar het lintdorp Warder en zoek naar het opgegeven huisnummer. Ik parkeer bij een oude stolpboerderij met een vrolijk beschilderd hek. De voordeur negeer ik… “die dient alleen als brievenbus…,” was me verteld. Ik loop langs de zuidgevel, zie een ontoegankelijk ogende ingang, en zoek mijn weg – linksom – tussen de achtermuur en de verwaarloosde rozentuin door. Ik probeer een deur. Die blijkt open. Ik stap de keuken binnen.

“Ah, daar is mijn gast; de koffie is klaar; gaat u zitten. Rookt u?” Ik kon achteraf mijn oren niet geloven: iemand die zelf niet rookt, iemand die – naar even later blijkt – vroeger hartstochtelijk gerookt heeft en die zijn allerliefste enkele jaren geleden aan longkanker verloren heeft, biedt mij een met sigaretten gevulde tabaksdoos aan! “Ja graag, maar ik draai liever een shaggie.” “Ja,” zegt mijn gastheer, “een zelf gedraaid sigaretje is het lekkerst. Wilt u alstublieft hier gaan zitten? Ik vind, dat de gast het mooiste uitzicht moet hebben. En let u maar niet op de rozentuin; dat was de hobby van mijn vrouw; ik kan zelf niet zo goed met planten omgaan.”

Uit angst om er door te zakken probeer ik mijn evenwicht in stand te houden op een uiterst gammele stoel met uitzicht over een ontluikende tuin, een prachtige vijver, daarachter een strook weiland en de IJsselmeerdijk.

 

Terwijl mijn gastheer vertelt over de boerderij, de tuin en vooral zijn overleden vrouw, drink ik mijn koffie, zie dat hij De Goddelijke Komedie van Dante leest, dat hij Het Parfum, dat bizarre boek van Patrick Süskind, in de ons bijna omringende, overvolle boekenkast heeft staan.

“Ja,” zegt hij, “ze ligt begraven op het kleine kerkhofje van ons dorp. Alle dorpelingen stonden voor hun huis te wachten tot de kist voorbij werd gedragen en sloten zich vervolgens aan bij de stoet. Ja, dat was indrukwekkend…”

Nog voor ik mijn koffie op heb, troont hij me mee naar de achterkant van zijn smaakvol ingerichte woonboerderij. “Kijk, dat is’m. Hij is natuurlijk niet zo mooi als de Bossche kist in jullie kerk; hij is bijvoorbeeld niet beschilderd met engelen en zo, maar ik vermoed toch, dat het principe van de sloten hetzelfde zal zijn. Zal ik u laten zien hoe die open moet, hoe je bij de gelden van de diaconie kunt komen?” “Ja graag, de kerkelijke gemeente van Beets wist dat eertijds trouwens als geen ander.” “Wat bedoelt u?”  “Nou,“ zeg ik, “toen men in de zestiger jaren van de negentiende eeuw door de firma Flaes uit Amsterdam een orgel in de kerk had laten plaatsen, bedroeg de rekening – inclusief de bouwkundige aanpassingen – zo’n 3000 gulden, een enorm bedrag voor die tijd. De protestantse gemeente kon dat bedrag uit de activa niet opbrengen; het moest dus geleend worden van een paar rijke dorpelingen en van de wereldlijke gemeente.” “Wilt u nog koffie?” Ik vervolg zonder te antwoorden: “Weet u, dat de aflossing van die schuld destijds geschiedde door de inhoud aan te spreken van de diaconiekist, van de Bossche kist dus? Beseft u, dat ons prestigieuze orgel in feite betaald is door de armen? Weet u, dat diezelfde, in wezen toch frauduleuze truc ook is toegepast bij de bouw van de Beetser pastorie?” Nee, dat weet hij natuurlijk niet; hij woont niet in Beets.

“Ik zie, dat u er nóg kwaad om kunt worden. Zullen we dan maar eens een poging wagen om mijn antieke kist te openen?” Hij drukt mij een loodzware sleutel in de hand, zo eentje waarmee een burgemeester-in-vol-ornaat bij bijzondere gelegenheden zijn stadspoort symbolisch opent. Ik klungel vruchteloos wat met de sleutel in het grote sleutelgat aan de voorkant, maar ervaar geen enkel ontsluitend effect, en dan schiet me te binnen dat ik vergeten was dat het een nepslot is. “Kijk,” zegt hij met glimmeroogjes, “kijk, dit is het geheim…” Met zijn wijsvinger haalt hij aan de achterkant van de kist een palletje over. Aan de bovenkant – in het deksel – zwenkt opeens een smal, ijzeren plaatje opzij, waardoor er een tweede sleutelgat zichtbaar wordt. Hij stopt de sleutel in het ontsloten gat en draait met behulp van een hefboom – een andere antieke sleutel – het slot hoorbaar open. Deze kist is leeg.

 

Ik nodig hem uit: “Wilt u nu met me meegaan naar de kerk van Beets, naar onze Bossche kist, en wilt u dan uw sleutel meenemen? Misschien past-ie.” Hij rijdt achter me aan naar de kerk, naar de historische raadzaal bovenin het middeleeuwse priesterkoor, naar de fraai beschilderde, vroeg zeventiende-eeuwse ijzeren diaconiekist. We zoeken aan de achterkant naar een geheim palletje. We vinden weliswaar een gat ter grootte van een ouderwetse stuiver, maar verder niets geheimzinnigs. Ik steek mijn wijsvinger erin en wriemel ermee in het rond zonder iets te voelen wat het mysterie kan helpen oplossen. We weten met enige moeite het half openstaande ijzeren lipje op het deksel opzij te schuiven, maar zijn sleutel blijkt niet te passen, hetgeen mij eerlijk gezegd niet verbaast. Onze kist is dus ongenaakbaar; hij gaat niet open. Wat zou erin zitten? Met enige moeite tillen we het gevaarte op en schudden ermee. Er klinkt geen gerinkel; er zit geen baar geld in, maar misschien historische documenten?

Ik leid mijn gast nog even rond door onze prachtige dorpskerk; ik laat hem de geschilderde pelikaan zien die haar jongen voedt met haar eigen bloed, en de spiegel van de wijsheid, waarin iedereen eigenlijk zo af en toe behoort te kijken; ik laat hem alles zien wat dit kerkje zo onderscheidt van veel andere: de warme, vroeg zeventiende-eeuwse bloemschilderingen op de plafonds, de oude kerkbanken, de zerken van diegenen die voor hun mooie plaatsje in de hemel hun erven dik hebben moeten laten betalen, de domineesborden; de glanzende pijpen van het orgel…

Voorzichtig beklimmen we de steile trap die leidt naar de orgelgalerij. Ik trek alle registers open en vraag hem of hij kan orgelspelen. “Nee,” zegt hij, “maar mijn vrouw kon dat wel… Was ze er nog maar geweest; wat zou ze hiervan genoten hebben…” En dan begrijp ik – als zelden ooit tevoren – hoe wreed de geschiedenis kan zijn.

 

Ik neem afscheid van mijn gast en laat hem uit. En juist op het moment dat hij terugloopt naar z’n auto, zeg ik: “Meneer N…, het mooiste aanzicht van de kerk heb ik u nog niet laten zien, namelijk de kerkhofgevel, daar waar mijn vrouw begraven wil worden.” Hij vertraagt z’n pas en houdt stil. “Ja, ’t hoeft niet hoor,” zeg ik klunzig. Hij draait zich om. “Is uw vrouw ernstig ziek?” “Nee, ze is kerngezond, maar ze weet precies waar ze later wil liggen.” “Meneer Douwes, ik geef toe dat ik even aarzelde; u begrijpt dat het thema bij mij wat gevoelig ligt, maar ik wil dat bij nader inzien toch erg graag even zien.”

Ik open het gietijzeren hek van de begraafplaats. Zwijgend lopen we over het knerpende grind naar de noordmuur van de kerk. “Ziet u die dichtgestopte middeleeuwse steigergaten? Ziet u dat er drie verschillend gekleurde lagen bakstenen zijn gebruikt. Ziet u…” Hij onderbreekt me abrupt. “Ik dacht dat u me iets anders wilde laten zien. Waar…, waar wil ze liggen.”  Z’n stem is wat dwingend; z’n ogen staren dof. Ik schrik. “Hier,” zeg ik gehaast, en wijs naar een plek onder een Gotisch boogvenster, tegen de vijftiende-eeuwse muur. Hij zwijgt, draait zich om, en loopt knerpend terug… Zonder om te kijken.

 

Ik was alleen. De deur van de kerk staat nog open. Andermaal beklim ik de steile trap naar het orgel. Met één hand en één voet speel ik een niet bestaande melodie. Boven me galmen de twaalf bronzen slagen van de hémonyklok. En ik weet niet goed waarom, maar ik heb me nog nooit zo eenzaam gevoeld als toen, om twaalf uur ’s middags, in de kerk van Beets.

 

Rop Douwes